Home

Mijnspin/Atypidae

 mijnspin met giftanden

De mijnspinnen zijn in Europa de enige verwanten van de vogelspin. Je kunt ze herkennen aan hun opvallend grote en recht naar voren gerichte monddelen, genaamd cheliceren. en paralel naar achter geslagen giftanden.

Jonge mijnspinnen hebben dezefde kleur als de vrouwtjes, n.l. bruin. De spin heeft 8 ogen in een groep, iets verhoogt, op het voorlichaam.

Het mannetje is 7 tot 10 mm, het vrouwtje 10 tot 15 mm. Bij de spin is het vrouwtje groter dan het mannetje. Het achterste spintepel is opvallend lang. Van ondere zie je er een half ronde cirkel. Volwassen mannetjes kun je tegen komen in juni en juli. De vrouwtjes, die wel 10 jaar kunnen worden, kun je het gehele jaar door tegenkomen. De paring vind pas plaats als het mannetje 4 jaar oud is. Dat is de maximale leeftijd voor het mannetje. Als de paring heeft plaats gevonden, valt hij ten prooi aan het vrouwtje, sterft en wordt opgegeten.

Het is bekend dat de spin in Limburg is waargenomen, maar ook op de Veluwe en elders in het land kun je spin tegen komen, op kalkgronden, droge graslanden, langs bosranden en tussen het struikgewas.

mijnspin op pad

Mijnspinnen leven in een kolonie. soms wel 100 dieren op een vierkante meter.

Als het vrouwtje honger krijgt, gaat ze met haar buik voor de ingang van haar buis liggen. Als een klein diertje niets vermoedend langs komt wandelen, grijpt het vrouwtje het en eet het onfortuinlijnke insect op. Nu is de ingang van de buis stuk. Snel repareed ze het spinsel en gaat haar buiswoning weer in.

De spin leeft hoofdzakelijk onder de grond, tot ongeveer 30 cm diep. Zij heeft een buis in de grond, bekleed met slangvormig spinsel, tot boven de grond met een sluitend einde. Het bovengronds gedeeltje is zo'n 10 cm en lijkt op een vinger van een handschoen. Het geheel wordt door de spin gecamoufleerd met gras en mos. De ingang ligt meestal vlak boven de grond, maar kan ook met draden aan planten of struiken in de buurt vast zitten.

Het vrouwtje leeft in haar spinselbuis. Ze werk regelmatig afval van haar steeds ruimere woonplek naar buiten. Na zijn laatste vervelling trekt het mannetje rond, opzoek naar een vrouwtje dat bereid is te paren. Het is dan al juli. Als hij haar gevonden heeft, maakt hij het spinsel voor de ingang open met spijsverteringssappen om bij haar te kunnen komen. De paring vindt plaats in de buis. In de zomer komt het tot eieren leggen, in een cocon, in haar woonbuis. In de herfst komen de jonge spinnen uit, Maar ze blijven de hele winter lekker warm bij hun moeder, in de bescherming van het spinsel. Pas in het voorjaar verlaten de jongelingen het ouderlijk huis en klimmen omhoog in de planten. Elke jonge spin trekt een spindraad achter zich aan, waardoor er een tentvormig spinsel ontstaat. Daarna laten de spinnetjes het spindraad los door massaal hun achterlijf op te tillen, waardoor de draad wordt verbroken. Slechts één draad wordt er daarna gesponnen, deze om vandaar weg te zweven op de wind en een eigen toekomst te bereiden. De draad wordt al langer en langer, totdat de jonge spin op zijn bestemming aankomt.

Heeft u/jij een mening over dit geschreven stuk? Vind je het een mooi stuk? Laat eens een boodschap achter in het gastenboek. Vragen? Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.